Sodomie in de Nederlandse geschiedenis
Het begrip sodomie heeft een lange geschiedenis die teruggaat tot het Bijbelverhaal over Sodom en Gomorra (Genesis 18–19). Sodomie verwees in de vroegmoderne periode niet naar moderne seksuele identiteiten, maar naar een brede categorie verboden handelingen, waaronder seks tussen mannen, bestialiteit en andere ‘onnatuurlijke zonden’, waaronder gendernormoverschrijdend gedrag. Het begrip functioneerde binnen zowel de kerkelijke als de wereldlijke rechtspraak en speelde een rol in discussies over orde, moraliteit en sociale controle.
Auteur: Nadine Gerwen
Thema: Politiek, Religie

Vanaf de late middeleeuwen tot in de 18e eeuw fungeerde sodomie in de Noordelijke Nederlanden als een brede juridische verzamelterm voor alle ‘tegennatuurlijke’ handelingen. Daaronder vielen onder meer: - seks tussen mannen, - bestialiteit, - seks met minderjarigen, - incest, - en gendernormoverschrijdend gedrag.

Crimen nefandum

Op het crimen nefandum, Latijn voor ‘misdrijf waarover niet gesproken mag worden’, stond in de vroegmoderne Nederlanden vaak de doodstraf. Toch waren daadwerkelijke vervolgingen vóór 1730 opvallend zeldzaam. De eerste bekende zaak in de Noordelijke Nederlanden dateert uit 1233, maar tussen 1233 en 1730 zijn slechts enkele tientallen gevallen gedocumenteerd. Dat betekent dat sodomie weliswaar als een zwaar misdrijf gold, maar dat vervolgingen episodisch waren en sterk afhankelijk van lokale omstandigheden, politieke spanningen en religieuze interpretaties.

Een kantelpunt vormt het plakkaat van de Staten van Holland uit juli 1730. Dit plakkaat riep op tot “afschrik en uitroeiing van de zonde der sodomie” en bepaalde dat executies voortaan openbaar moesten plaatsvinden. Het plakkaat markeert het begin van een uitzonderlijke fase in de geschiedenis van sodomievervolgingen: een korte, hevige vervolgingsgolf die zich tussen 1730 en 1733 door de Republiek verspreidde. Deze golf was geen voortzetting van een bestaand patroon, maar een historische uitzondering, gevoed door religieuze angst, politieke onzekerheid en sociale controle.

Om deze processen goed te begrijpen, is het belangrijk te kijken naar het systeem van vroegmoderne rechtspraak. De schout fungeerde als een combinatie van politiechef en officier van justitie, terwijl schepenen de rol van rechters vervulden. Zij bepaalden welke vragen werden gesteld, welke antwoorden werden genoteerd en welke straffen werden opgelegd. De verhoren die wij nu nog kunnen lezen in bronnen zijn zelden letterlijke citaten, maar juist vaak samenvattingen in formele taal, opgesteld door de rechtbank.

Omdat het gaat om lokale rechtspraak, bevinden de meeste processtukken zich in regionale en gemeentelijke archieven. Het IHLIA‑archief herbergt deze bronnen niet; IHLIA documenteert vooral de discoursen, traktaten en literatuur rondom sodomie, niet de rechtspraak zelf. Voor concrete zaken is de Queer Geschiedenismaandcollectie een goede toegangspoort.

De virtuele Queer Geschiedenismaandcollectie bevat collectiestukken uit musea en archieven door het hele land waaronder een aantal verwijzingen naar processtukken rondom sodomie. Bijvoorbeeld de bron Processtukken sodomietenvervolging Zwolle (1730) uit Collectie Overijssel. Deze bron laat zien hoe het proces er in de praktijk uitzag: verhoren, tortuur, en een sterke focus op machtsongelijkheid (knechten, jongens, leerlingen). Zulke zaken gingen zelden over gelijkwaardige relaties; leeftijd, afhankelijkheid of dwang speelden meestal een rol.

Taal en praktijk

De vervolgingsgolf van 1730–1733 laat niet alleen zien hoe rechtspraak functioneerde, maar ook hoe men in de vroegmoderne tijd sprak over sodomie. In processtukken wordt de handeling zelf vrijwel nooit benoemd. In plaats daarvan gebruiken schout en schepenen een reeks omschrijvingen, eufemismen en omtrekkende formuleringen die het misdrijf tegelijk verhullen én beschuldigen.

Een duidelijk voorbeeld komt uit de Naarden‑verhoren (1733), uit het archief Gooi- en Vechtstreek. Wanneer Cornelis Jurriaanse Bout wordt ondervraagd over zijn omgang met Rijk Hogenbirk, vragen de schepenen niet of hij “seks” heeft gehad, maar of hij:

- “samen aldaar met uw broeken af en los gelegen” heeft,
- “getragt heeft vleeselijke conservatie te pleegen”,
- of “het voornemen heeft gehad om eenige sodomitische sonden te pleegen”.

Wanneer beide mannen blijven ontkennen “eenige vuyligheit met elkander” te hebben gepleegd, wordt gedreigd met “zwaardere middelen”. Tijdens hun laatste verhoor worden hun kleren zelfs uitgetrokken om hen tot een bekentenis te dwingen.

Deze indirecte woordenschat, vleeselijke conservatie, vuyligheit, sodomitische sonden, past in een breder patroon dat in vrijwel alle sodomiebronnen terugkomt. Het misdrijf wordt benoemd, maar de handeling blijft onuitgesproken. Bout en Hogenbirk worden uiteindelijk vrijgesproken, maar hun zaak laat zien hoe taal, macht en rechtspraak samenwerkten binnen de bredere vervolgingsgolf van 1730–1733. De indirecte formuleringen, de nadruk op “vuyligheit” en het gebruik van dreiging en ontkleding tonen hoe sterk de processen waren ingebed in een cultuur waarin sodomie gold als iets dat men niet kon of mocht benoemen, een nefandum dat alleen via omwegen kon worden gearticuleerd.

Sodomie en identiteit

Vóór en ná 1730 In de vroegmoderne tijd verwees ‘sodomiet’ primair naar een juridische categorie, niet naar een seksuele identiteit. Een moderne opvatting van homoseksualiteit als vaste identiteit bestond in de 18e eeuw niet. Ook lesbische en biseksuele identiteiten ontstaan pas later.

Na 1730 verandert dit langzaam. Door de grote sodomieprocessen ontstaan herkenbare patronen: mannen die zichzelf “sodomiet” noemen, vaste ontmoetingsplekken, en een groeiende sociale stigmatisering. Sommige historici zien hierin de vroege contouren van een subcultuur; anderen benadrukken dat deze categorie vooral door vervolging werd gevormd. Wat vaststaat: vervolging creëerde een sociale groep die door autoriteiten werd benoemd, gevolgd en geordend, een vorm van identiteitspolitiek avant la lettre.

Vrouwen, gendernormen en het Spinhuis

Hoewel vervolging vooral mannen trof, werden ook vrouwen bestraft, vaak niet onder de formele noemer sodomie, maar via tucht en zedelijkheidsrecht. Toch werd in deze zaken dezelfde juridische logica toegepast: het idee van een tegennatuurlijke daad die de maatschappelijke orde verstoorde.

In Amsterdam kwamen vrouwen die relaties met vrouwen hadden of gendernormen doorbraken regelmatig in het Spinhuis terecht, een tuchthuis waar arbeid en discipline centraal stonden. Een bekend voorbeeld is Gesina Dekker (1796), wier zaak bewaard is in het Secreet Confessieboek van het Stadsarchief Amsterdam. Zij leefde gescheiden van haar man en had lichamelijke relaties met vrouwen in de Jordaan. De schout greep ambtshalve in, waarna Gesina en drie andere vrouwen werden veroordeeld tot jarenlange opsluiting.

In bronnen rond vrouwelijke seksualiteit duiken termen op als tribade (vrouw die seks heeft met vrouwen) en lollepot (18e eeuws woord voor vrouwenliefde). Deze woorden tonen hoe vrouwelijke intimiteit werd benoemd, gemoraliseerd en geproblematiseerd. De zaak Dekker laat zien dat vervolging van vrouwen vaak draaide om genderexpressie, sociale orde en stedelijke controle, maar dat de morele categorieën die bij sodomie hoorden, onnatuurlijk, grensoverschrijdend, ontwrichtend, ook op vrouwen werden toegepast, zelfs wanneer het juridische label sodomie niet expliciet werd gebruikt.

De 19e eeuw: het verdwijnen van sodomie uit de wet

Met de invoering van de Code Pénal (1811), het toenmalige Wetboek van Strafrecht, verdwijnt sodomie als aparte strafbepaling. Seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht worden niet langer vervolgd, tenzij er sprake is van geweld of minderjarigheid.

Dit markeert het formele einde van sodomievervolgingen in de Nederlanden. Hoewel de juridische categorie verdween, leeft het woord in het Nederlands voort. Denk aan termen als mietje, sodemieter, mieters en sodemieter toch op, taalkundige echo’s van een vroegmoderne categorie die eeuwenlang zwaar beladen was.

Ook de sociale stigma’s en juridische vervolgingen voor openbare zedenschennis verdwijnen niet zomaar. Zo blijft het discriminerende wetsartikel 248bis tot 1971 een grondslag om homoseksuelen te vervolgen.

Fotocredits
Getoonde materialen komen uit het IHLIA-archief, tenzij anders vermeld. Van links naar rechts, boven naar beneden:

Processtuk sodomietenvervolging te Zwolle uit 1730, brief (28 mei 1730) van echtgenote Klasien Hendriks aan haar van sodomie verdachte man Andries Bilevelt
Uit: Collectie Overijssel

Examen-boek van de gevangenen op den stadhuyse, registers houdende verhoren van de gevangenen op het stadhuis, uit: SSAN008.01 Gerecht Naarden / Oud Rechtelijke Archieven (ORA) – Inventarisnummer 3054a, folionummer 146 t/m 148

Het interieur van het Spinhuis, Spinhuissteeg 1, aan de kant van de Korte Spinhuissteeg. De vrouwen aan het werk.
Jaartal: 1783
Vervaardiger: H.P. Schouten
Collectie: Atlas Splitgerber, Stadsarchief, Amsterdam

Literatuur en bronnen
Uit de IHLIA‑collectie

Ludovicus Claepius, De crimine sodomiae, oder: von der Sodomiteren (Hendelius, 1720), PDF, IHLIA‑collectie, https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1415548.

Abraham Perrenot, Bedenkingen over het straffen van zekere schandelyke misdaad (s.n., 1777), PDF, IHLIA‑collectie, https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1415140.

Van der Meer, Theo. Sodoms zaad in Nederland geplant: Het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd. Nijmegen: SUN, 1995. Beschikbaar via IHLIA: https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1466028
Van der Meer heeft meerdere relevante publicaties over sodomie, vroegmoderne rechtspraak en queer geschiedenis in de IHLIA‑collectie.

Gerard, Kent, en Gert Hekma (eds.). The Pursuit of Sodomy: Male Homosexuality in Renaissance and Enlightenment Europe. New York: Harrington Park Press, 1989. Beschikbaar via IHLIA: https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1522326
Hekma is met meerdere werken vertegenwoordigd bij IHLIA, waaronder studies over vroegmoderne seksualiteit, sodomie en Europese vergelijkingen.

Roelens, Jonas. Citizens and Sodomites: Persecution and Perception of Sodomy in the Southern Low Countries (1400–1700). Leiden: Brill, 2024. Beschikbaar via IHLIA: https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1626724
Roelens heeft meerdere publicaties over genderoverschrijding, normering en vervolgingen in de vroegmoderne Nederlanden in de IHLIA‑collectie.

Malcolm, Noel. Forbidden Desire in Early Modern Europe: Male–Male Sexual Relations, 1400–1750. Oxford: Oxford University Press, 2024. Beschikbaar via IHLIA: https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1543552

Noordam, Diederik J. Riskante Relaties: Vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233–1733. Hilversum: Verloren, 1995. Beschikbaar via IHLIA: https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1467454

Dekker, Rudolf M., en Lotte C. van de Pol. Vrouwen in Mannenkleren: De geschiedenis van een tegendraadse traditie. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1989. Beschikbaar via IHLIA: https://n2t.net/ark:/50963/IHLIA_1426288

Queer Geschiedenismaand‑bronnen

Processtukken sodomietenvervolging te Zwolle uit 1730. Brief van Klasien Hendriks aan Andries Bilevelt, 28 mei 1730. Toegankelijk via Queer Geschiedenismaand. URL: https://www.queergeschiedenismaand.nl/objecten/processtukken-sodomietenvervolging-te-zwolle-uit-1730/

Examen‑boek van de gevangenen op den stadhuyse. Gerecht Naarden, Oud‑Rechterlijke Archieven (ORA), inventarisnummer 3054a, folio 146–148. Toegankelijk via Queer Geschiedenismaand. URL: https://www.queergeschiedenismaand.nl/objecten/examenboek-van-de-gevangenen-op-den-stadhuyse/