Homoseksualiteit en de Tweede Wereldoorlog
Toen in 1933 de nationaalsocialisten in Duitsland aan de macht kwamen, vielen ook homoseksuelen onder de groepen mensen die volgens het regime minderwaardig waren en uit de samenleving moesten worden verwijderd. In nationaalsocialistische ogen waren homoseksuelen slap, verwijfd en niet in staat tot voortplanting. Door de in 1935 aangescherpte Duitse wetgeving kwamen veel mannen in de gevangenis of een concentratiekamp terecht. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwamen ook in Nederland vooral homoseksuele mannen in de problemen, al werden zij niet systematisch vervolgd.
Auteur: Patrieck de Haan, met dank aan Judith Schuyf
Thema: Iconen, Protest, Cultuur
De vooroorlogse homocultuur

In 1864 werd door de Duitser Karl Heinrich Ulrichs het woord ‘uranisme’ gebruikt om op een positieve manier te beschrijven dat er zoiets kon bestaan als liefde tussen mensen van gelijk geslacht. Het was daarmee het eerste woord in de ‘westerse’ talen dat deze dimensie bood. Daarvoor was de Bijbelse term ‘sodomie’ lange tijd het gebruikelijkst, wat per definitie zonde impliceerde.

In Nederland raakte het woord pas aan het begin van de twintigste eeuw bekend, samen met ‘homosexualiteit’, dat een meer negatieve lading had. Na de Eerste Wereldoorlog werd ‘uranisme’ nog maar weinig gebruikt.

Toen in 1911 het voor homoseksuelen discriminerende strafwetsartikel 248bis ingevoerd werd, richtte de Nederlandse advocaat Jacob Schorer de eerste Nederlandse organisatie voor homo-emancipatie op. Het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK) was gevestigd in Den Haag en zette zich direct in voor het afschaffen van het artikel, maar zonder succes. Wel zorgden de publicaties over homoseksualiteit voor meer begrip bij de bevolking, tenminste in grote steden als Den Haag en Amsterdam.

Veel van het leven als homoseksueel speelde zich in deze tijd in het geheim af, bij mensen thuis of ergens op een hotelkamertje. Het was extra gevaarlijk als één van de twee personen onder de 21 was en de ander meerderjarig, wat volgens artikel 248b strafbaar was. De meeste homobars waren te vinden in Amsterdam, maar ook in Den Haag bestond een levendig uitgaansleven.

In 1939 werd door de communistisch georiënteerde Nico (Niek) Engelschman samen met twee vrienden het homotijdschrift Levensrecht opgericht. Zij vonden Jacob Schorer veel te netjes en elitair, de strijd voor homo-emancipatie moest komen van onderop. Bij de derde uitgave van het blad moest de redactie de werkzaamheden staken door de inval van de Duitsers, maar er werd een doorstart gemaakt in 1946.

De lezerskring begon zich al snel bij wijze van vermomming de Shakespeareclub te noemen en kreeg het karakter van een vereniging. Later zouden zij hun naam veranderen in C.O.C, dat uitgegroeid is tot de eerste nationale organisatie voor homo-emancipatie en gezien kan worden als de opvolger van het NWHK.

‘Roze’ in de oorlog

Tegenwoordig wordt de kleur roze sterk geassocieerd met de homogemeenschap. In Nederland door termen als ‘Roze Zaterdag’ en ‘Roze Front’, en in de VS bijvoorbeeld door de omgekeerde roze driehoeken van de beweging ACT UP, die eind jaren tachtig haar acties voor aidsbestrijding kracht bijzette met dit symbool en de slogan ‘silence is death’.

De oorsprong van het roze heeft te maken met de categorisering van gevangenen in de Duitse concentratiekampen onder het naziregime. Net als ongeveer alle minderheidsgroepen waren lhbti+’s ongewenst voor de nazi’s. Op basis van paragraaf 175 verbood het Duitse Wetboek van Strafrecht seks tussen twee mannen.

Er werden in nazi-Duitsland ongeveer 50.000 mannen om veroordeeld. Zij kwamen terecht in gevangenissen, tuchthuizen of concentratiekampen. Hier kwamen er vermoedelijk rond de 7500 om het leven. In de kampen kregen ze een roze driehoek opgespeld, of in het geval dat ze Joods waren een roze driehoek en een davidster over elkaar heen.

Tegenwoordig heeft de regenboogvlag min of meer de roze driehoek vervangen als internationaal symbool van de lhbt+-gemeenschap. Wel bestaat bijvoorbeeld het Homomonument in Amsterdam uit roze driehoeken, als nagedachtenis aan de in de oorlog omgekomen homoseksuelen.

In Nederland liet de Duitse bezetter de vervolging van homoseksuelen over aan de Nederlandse politie, die er weinig haast mee maakte. Toch zijn er tijdens de oorlog ongeveer 100 veroordelingen wegens homoseksueel gedrag teruggevonden in de restanten van archieven. Joodse homoseksuelen werden linea recta naar de concentratiekampen afgevoerd.

Enkele homoseksuelen zijn bekend geworden om hun rol bij het Nederlandse verzet. Willem Arondéus en Frieda Belinfante zijn de bekendsten geworden. Beiden bewogen zij zich samen met nog enkele andere (openlijk) homoseksuelen in Amsterdamse culturele kringen, van waaruit zij het verzet in gegaan zijn.

Hun bekendste daad is waarschijnlijk de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister geweest in 1943, met als doel Joodse persoonsgegevens te vernietigen. Belinfante overleefde de oorlog, maar Arondéus werd na de aanslag opgepakt en gefusilleerd. Zijn advocate Lau Mazirel verklaarde in de jaren vijftig dat Arondéus haar voor zijn executie gevraagd zou hebben: ‘Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn.’

Tegenwoordig is er relatief veel aandacht voor (persoonlijke verhalen van) lhbt+’s in de Tweede Wereldoorlog. De ‘doorbraak’ hierin is waarschijnlijk de documentaire over Willem Arondéus geweest, gemaakt door journaliste Toni Boumans in 1990.

Daarna zijn er verschillende publicaties en documentaires verschenen over hem en andere roze verzetshelden. Het begint met Nee zeggen, biografieën rond homoseksualiteit en verzet (2006), van historici Klaus Müller en Judith Schuyf, is een belangrijke sleutelpublicatie over dit onderwerp.

Schuyf schreef tevens Levenslang. Tiemon Hofman, homoseksueel en avonturier (2003). Hofman was de enige Nederlandse man die na de Tweede Wereldoorlog als homoseksueel vervolgingsslachtoffer is erkend.

Meer recent werden er in 2018 portretten gemaakt van Willem Arondéus en Frieda Belinfante voor een tentoonstelling in het Verzetsmuseum, om de twee verzetsstrijders een gezicht te geven bij hun verhaal. Zo krijgen deze dappere mensen langzaam maar zeker de aandacht die zij verdienen.

VERDER LEZEN/KIJKEN

De website van de tentoonstelling Wie kan ik nog vertrouwen?.

Een digitale tentoonstelling over homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog, met aandacht voor onder anderen Frieda Belinfante, Willem Arondeus en Nico Engelschman.

Fotocredits
Getoonde materialen komen uit het IHLIA-archief, tenzij anders vermeld. Van links naar rechts, boven naar beneden:

Affiche van de door IHLIA samengestelde tentoonstelling WIE KAN IK NOG VERTROUWEN?: Homoseksueel in Nazi Duitsland en bezet Nederland. Affiche van de tentoonstelling in het Verzetsmuseum te Amsterdam (2007)

Boekcover 'Het begint met nee zeggen: biografieën rond verzet en homoseksualiteit' onder red. van Klaus Müller en Judith Schuyf; ed. Hansje Galesloot. Veel homoseksuele mannen en lesbische vrouwen waren tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet. Hun aandeel werd echter decennialang 'vergeten' in de collectieve herinnering. Daar probeert dit boek verandering in te brengen. In dertig biografieën wordt de niet onbelangrijke rol van homoseksuelen in het verzet nader toegelicht. Uitgegeven door: Schorer in Amsterdam (2006)

Boekcover 'Levenslang: Tiemon Hofman, vervolgd homoseksueel en avonturier' door Judith Schuyf. Biografie over Tiemon Hofman (1925-1997) die in 1941 als 16-jarige werd opgepakt wegens homoseksuele handelingen en zijn leven lang als homoseksueel met strafblad te boek bleef staan. Na een jarenlange strijd werd hij door de Nederlandse staat officieel erkend als oorlogsvervolgde op grond van homoseksualiteit en  kreeg als enige in de Tweede Wereldoorlog vervolgde homo een uitkering voor vervolgingsslachtoffers. Uitgegeven door: Schorer in Amsterdam (2003)

Boekcover 'Schuldige seks: Homoseksuele zedendelinquenten rondom de Duitse bezettingstijd' door Anna Tijsseling. Niet de bezetting, maar de bevrijding betekent een omwenteling in de antihomoseksuele strafvervolging, dat is de centrale stelling in het proefschrift van Anna Tijsseling dat op 23 december 2009 is verschenen. Ondanks het gebrek aan wetenschappelijk onderzoek, ontstond vanaf de jaren zeventig een dominant beeld van de bezettingstijd als een uiterst repressieve periode voor homoseksuelen. De beschikbare gegevens wijzen op een tegengestelde trend. Zo weerspiegelen de Nederlandse criminele statistieken juist een stagnatie in het aantal strafzaken tegen verdachten van homoseksuele zedenzaken tijdens de jaren van bezetting. Uitgegeven door: Universiteit Utrecht in Utrecht (2009)

Literatuur en bronnen

Gert Hekma, Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd (Amsterdam 2004) 70-80.

Paul Hofman, ‘Roze in het Verzet: “We geven mensen een gezicht”’. Op Gaykrant (2 mei 2018).

‘Homoseksuelen in het verzet’. In Gay News 3 (2018) 16-17.

Judith Schuyf, ’Op zoek naar homoseksualiteit en verzet’.

Marian van der Klein & Theo van der Meer, ‘Gevangen in slachtofferschap. Homoseksualiteit en de tweede wereldoorlog’. In De Gids 170, 1 (2007) 74-83.

Marianne Wilschut, ‘Homoseksuelen tijdens Tweede Wereldoorlog niet erkend’. In Historisch Nieuwsblad (april 2006).

Anna Tijsseling, Schuldige seks: Homoseksuele zedendelinquenten rondom de Duitse bezettingstijd (Utrecht 2009).

Filter